Klik op het sterretje om deze pagina in het Engels te zien / Click on the star to see this page in English.

Hoe ver kan poëzie gaan? Waar zijn de grenzen? Hoeveel verschillende elementen kan een gedicht bevatten voordat het stopt met poëzie te zijn en helemaal iets anders wordt?
Deze tentoonstelling is opgevat als een wandeling langs enkele grenzen van de poëzie. Veteranen van de Krikrifestivals hebben al tal van dit soort verkenningstochten meegemaakt: de schemerzones tussen poëzie en muziek, of poëzie en performance, zijn onze favoriete bestemmingen sinds het begin van de vzw in 2002. Wie tot nu toe aan de avonturen ontsnapt is, kan een aantal highlights van de voorbije festivals als deel van deze tentoonstelling bekijken.
De rest van de tentoonstelling is gewijd aan het visuele: grensgebieden tussen woord en beeld, poëzie en film of poëzie en multimedia.

Hoe ver kan een gedicht gaan? Als de pagina weg is, wat gebeurt er met de regels tekst? Hoe structureer je een gedicht in de drie-dimensionele ruimte, in de virtuele ruimte, of gewoonweg op de fysieke, visuele ruimte van de pagina of het scherm eenmaal de dwang om in regels te schrijven niet meer van tel is? Als de drager verandert, wat gebeurt er met de boodschap? Is het resultaat nog ‘poëzie’? En hoe lees je het dan?
Stephanie Strickland vergelijkt de manier waarop men haar multimediagedicht 'Vniverse' leest met de manier waarop prehistorische nomaden de sterren lazen: een ontdekkingstocht langs vreemd terrein. Door verschillende handbewegingen en tal van manieren om met de muis te klikken, worden diverse aspecten van het werk onthuld. Intermediale kunstvormen vereisen multimedia leesstrategieën: we moeten zowel onze kennis inzetten van hoe de (geschreven) poëzie functioneert, als ook ons begrip van hoe een schilderij, een film, een internetsite in elkaar zit.
Wat kan de taal zijn, wat kan de taal doen als ze meer wordt dan tekst alleen? De Arabische letter ‘alif’ of ‘elif’ is de eerste letter van het alfabet en ook de eerste letter van het woord ‘Allah’ – maar wat betekent het dan als de Turkse dichteres Ayşegül Tözeren de ‘elif’ in een S-vorm schrijft die doet denken aan de lichaam van een vrouw? ‘Carte Blanche’ van Renaat Ramon bevat geen enkel woord, maar kan je het toch nog een sonnet noemen vanwege de structuur, of niet? In zijn ‘Polar Alphabet’ behandelt Marco Niemi elke letter juist niet als een deel van de taal, maar als een beeld dat hij omdraait, in mootjes hakt en dan laat rondslingeren als een kompas aan de noordpool. Is zijn alfabet dus een reeks gedichten of beelden? Woorden worden beelden, beelden worden taaltekens. Soms lees je één boodschap, en zie je een andere, zoals bij een gesprek met iemand wiens woorden iets anders vertellen dan zijn lichaamstaal. Drie punten, als interpunctie gebruikt, wijzen misschien op aarzeling, verwachtingen of onuitgesproken mogelijkheden, maar in ‘Forecast,’ van Márton Koppány doen ze denken aan regendruppels, de zon, de sterren, het ontkiemen van zaadjes. Hoe verzoen je deze boodschappen? Is er één belangrijker dan de andere?

Hoe ver kan een gedicht gaan en toch nog ‘poëzie’ blijven? Dat hangt natuurlijk helemaal af van je definitie van de poëzie. Multimedia dichter Jörg Piringer zegt – met verwijzing naar John Cage – ‘als je vindt dat wat ik doe geen poëzie is, noem het dan maar iets anders.’ Poëzie is een taalkunst : zijn deze werken taalkunstwerken en zo ja, ook poëzie? Anders gezegd, zijn de letters van visuele gedichten ook letteren? De poëzie weet dikwijls nieuw leven in de taal te blazen, ze kan fascinatie of schoonheid halen uit de alledaagse woordenwirwar. Slaagt de Google Poem Generator van Leevi Lehto erin iets waardevols de vinden als het de restafval van een zoekmachine doorploegt en in sonnet- of sestinavorm recycleert?

Hoe ver kan de taal gaan? Waar begint en eindigt ze, waar lost ze op in witte ruis? Zijn de onleesbare flardjes woorden in de gedichten van K. Lorraine Graham een ongeboren taal, gedichten die nog niet helemaal dicht zijn? Een voertaal van vóór de taal, zo’n beetje als muziek die je niet kunt plaatsen, terwijl je voeten al zin krijgen om te gaan dansen? Ofwel zijn het de stukjes die er achterblijven in een tijd waar de poëzie barbaars is geworden? Zou het dat zijn? Schrot, scherven, stiltes. Kunnen gedichten zonder woorden ons nog aanspreken? Onttrekken ze zich aan hun verantwoordelijkheid door de ‘begrijpbare dimensie’ van taal af te stoten – soms gedeeltelijk, soms helemaal – en deze te vervangen door iets dat (misschien) geen taal meer is? Of ligt de specifieke bijdrage van de visuele poëzie tot de taal juist daar; in haar mogelijkheid om met stilte om te gaan? Meer doeltreffend dan andere poëtische vormen kan de visuele poëzie zich engageren met het niet kunnen spreken, het niet willen spreken.
In haar ‘tiny wonderrooms of love,’ verstopt Jessica Smith haar tekst op piepkleine rollen papier binnenin de doosjes. De woorden zijn aan onze ogen onttroken, er blijft zowat geen enkel leesbaar woord over. Want deze woorden zijn niet voor onze ogen of oren bestemd. Alles wat overblijft is het besef dat de woorden er zijn... een aanwijzing, misschien, op het feit dat de wereld groter is dan onszelf, dat wij niet almachtig zijn en niet overal heen mogen ...
Misschien aan een andere uiterste zijn de interactieve 'Bellum Letters' van Michelle Detorie van verwijzingen naar de oorlog in Irak doordrongen. Bij het surfen kunnen we makkelijk twintig keer zo lang bezigblijven met de teksten over de oorlog die ze aan haar gedichten linkt, als met het lezen van de gedichten op zich. Als de poëzie in deze tentoonstelling in staat is om stiltes te herkennen, weet het ook met kakafonie om te gaan.

In zijn essay uit 1998, Neurofysiologie van de Poëzie, speculeert Arie Altena dat het doel van de poëzie is om nieuwe verbindingen te maken tussen verschillende begrippen, om aldus nieuwe paden te bouwen tussen de neuronen in onze hersenen:

Poëzie stelt het taal- en begripsvermogen op de proef. De hersenen worden gedwongen steeds nieuwe verbindingen te maken, af te wijken van de bestaande patronen, het bekende om te keren. Ingesleten interpretatiegewoontes voldoen maar tot op zekere hoogte om poëzie te neutraliseren tot een ‘gewone’ boodschap. Er wordt geen bestaand patroon versterkt, geen bestaande manier van tegen de dingen aankijken krachtiger verankerd. […] De hersenen worden door het lezen van poëzie getraind in het continu veranderen, een vaardigheid die in het dagelijks leven in deze wereld van levensbelang is.

Door de lezer aan te moedigen om verschillende perceptietechnieken simultaan te gebruiken, door de grenzen van taal uit te rekken, dagen visuele poëzie, interactieve, geluids- en performancepoëzie ons uit om onze relatie met de omgeving opnieuw te evalueren. Maar bijlange niet elk kunstwerk dat in staat is om onze percepties en denkwereld uit te dagen is een gedicht.

Zo belanden we opnieuw bij het begin. Hoe ver kan poëzie gaan? En hoe ver – waarheen – wilt u meegaan?

Helen White

Helen White (VK, 1977) is visueel dichteres en stichtend lid van Krikri vzw. Ze studeerde Literatuurwetenschap (voortgezette opleiding) aan de Katholieke Universiteit Leuven en schreef in 2004 haar thesis over ‘Visuele poëzie in De Tafelronde van 1965 tot 1979,’ waarbij ze zich kon verdiepen in de geschiedenis en de verschillende aesthetieken van de visuele poëzie. Sinds 2003 neemt ze met haar eigen werk deel aan tentoonstellingen, zowel in België als in het buitenland. Haar werk is verschenen in verschillende tijdschriften, waaronder De Poëziekrant, Foursquare, Karagöz, The Big Ode en Phoebe. Ze is tevens curator van de tentoonstelling bij Zaoem 2008.